De snelgroeiende reformatorische scholen voor voortgezet onderwijs kregen vanaf hun prille bestaan te maken met een reeks onderwijsvernieuwingen. In een betrekkelijk korte periode moest een standpunt ingenomen worden ten aanzien van de middenschool, de basisvorming, de tweede fase en het vmbo. Het ging om vernieuwingen waarbij de overheid maatschappelijk wenselijke ontwikkelingen van zelfontplooiing, solidariteit en emancipatie via het onderwijs wilde regelen. Ze waren gebaseerd op optimistische verwachtingen over de zelfstandigheid en het autonome handelen van de leerlingen. De rol van de docent diende meer die van coach te worden.
In deze studie is vanuit diverse invalshoeken bestudeerd welke positie reformatorische schoolleiders, docenten, SGP-politici en vertegenwoordigers van de reformatorische besturenorganisatie VGS en de begeleidingsdiensten (BGS/DGS) innamen ten opzichte van de genoemde vier vernieuwingen. Tevens zijn verklaringen gezocht voor de geconstateerde houding ten opzichte van deze vernieuwingen.
De toets der kritiek toont aan da het reformatorisch voortgezet onderwijs tamelijk gemakkelijk meegegaan is in de vernieuwingen. De levensbeschouwelijke kritiek was mager, onder andere omdat de beginnende denominatie vooral wilde voldoen aan de overheidseisen. Er werd eerder gezocht naar Bijbelse voorbeelden die de vernieuwingen zouden kunnen legitimeren en stimuleren dan dat de hierin neergelegde beginselen functioneerden als een toets der kritiek.